Na het voetbal: Leven

Afgezien van nomade J.P. zijn de meeste schakers redelijk honkvast. Ze blijven hangen bij de club waar ze hun eerste schreden op het schaakpad zetten. Alleen aan de hele goede spelers wordt getrokken, nationaal of provinciaal. Voor de ontwikkeling van de betrokken spelers is het vaak goed en dus begrijpelijk indien ze gehoor geven aan het telefoontje uit Leeuwarden of verder weg. In dat soort situaties zijn de spelers weliswaar uit het oog, maar niet uit het hart en hun verrichtingen kunnen nog wel worden gevolgd. Anna Maja bijvoorbeeld heeft Westergoo verruild voor Leiden, maar we zullen haar verrichtingen tot in lengte van jaren en tot in alle uithoeken van de wereld kunnen blijven volgen. Anders is dat als spelers stoppen met schaken en in de anonimiteit verdwijnen. Dan kun je hooguit hun naam nog eens googlen of zoeken op www.telefoongids.nl, maar meestal leidt dat niet tot veel informatie. Zelf was ik -tot vandaag- een viervoudig Fries schaakkampioen uit de jaren zeventig en tachtig geheel uit het oog verloren. Hij stopte op een zeker moment met spelen en verdween, zo leek het, van de aardbol. Een paar keer heb ik me in de afgelopen dertig jaar afgevraagd waar hij gebleven was maar verder geen actie ondernomen, te meer daar er van onderling contact eigenlijk nauwelijks sprake was. Ik kende hem van naam en gezicht. Vandaag dook hij plotseling op in de LC en wel op de pagina met de rouwadvertenties. Gelukkig betrof het niet zijn eigen dood, maar die van zijn vader die op de gezegende leeftijd van 94 het tijdige met het eeuwige verwisselde. Een teken van leven dus bij de dood. Zo gaan die dingen. (HJD)